Als de rente stijgt en de inflatie boven de drie procent blijft, hoor je op verjaardagen altijd hetzelfde advies: ga in defensieve aandelen zitten. Eten en drinken koopt iedereen, ook in een slecht jaar.
Dat klopt op het niveau van de omzet. Op het niveau van de koers is er dit jaar iets anders gebeurd. AB InBev staat 40,9 procent hoger dan een jaar geleden, Heineken 9,9 procent, Colruyt 1,7 procent en Ahold Delhaize 4,8 procent lager. Vier bedrijven in dezelfde categorie, en vijfenveertig procentpunt verschil tussen de beste en de slechtste.
Defensief is dus geen mandje waar je blind in kunt grijpen.
Waarom loopt de supermarkt achter en de brouwer voorop?
Het draait om prijszettingsmacht: kun je een prijsverhoging doorgeven zonder dat je klant vertrekt?
Een brouwer met sterke merken kan dat. AB InBev liet in het eerste kwartaal van 2026 een volumegroei van 1,2 procent zien, de eerste volumegroei in drie jaar, terwijl de onderliggende winst per aandeel met 20,8 procent steeg. In het tweede kwartaal was het beeld hetzelfde: 1,1 procent meer volume en 23,4 procent meer winst per aandeel.
Let op die verhouding. Eén procent meer bier, ruim twintig procent meer winst per aandeel. Dat is wat het betekent als je je prijs kunt verhogen, je duurdere merken harder groeien dan je goedkope, en je tegelijk je schuld afbouwt.
Heineken deed het rustiger maar in dezelfde richting: in de eerste zes maanden ging het volume 1,6 procent omhoog naar 142,8 miljoen hectoliter, de omzet 2,7 procent naar 14,8 miljard euro en de nettowinst meer dan tien procent naar ruim 1,2 miljard euro. Daar staat tegenover dat het bedrijf fors in de kosten snijdt, en dat is niet het profiel van een onderneming die op groei zit te wachten.
Een supermarkt heeft die prijszettingsmacht niet. Die verkoopt merendeels dezelfde producten als de concurrent twee straten verderop, en de klant vergelijkt.